Een hoger beroep is geen herhaling van de procedure bij de rechtbank. Dat ondervond een aannemer die door de rechtbank was veroordeeld tot betaling van ruim € 49.000 wegens gebreken bij de verbouwing en verduurzaming van een woning.
De aannemer ging in hoger beroep, maar maakte daarbij een cruciale fout. Zijn memorie van grieven was inhoudelijk exact gelijk aan de conclusie van antwoord die hij eerder bij de rechtbank had ingediend. Daardoor bevatte de memorie geen concrete bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep.
Volgens het hof moet uit de memorie van grieven duidelijk blijken waarom de appellant het niet eens is met het vonnis. Het is onvoldoende om simpelweg de eerder bij de rechtbank gevoerde verweren te herhalen. Die verweren waren bovendien al door de rechtbank beoordeeld en verworpen.
Tijdens de mondelinge behandeling probeerde de aannemer alsnog inhoudelijke bezwaren tegen het vonnis naar voren te brengen. Het Hof overwoog:
De advocaat van [appellant] heeft zich ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er uit de memorie van grieven drie grieven “kunnen worden afgeleid”. Uit die bewoordingen blijkt al dat van duidelijk kenbare grieven geen sprake is. Genoemd standpunt komt erop neer dat een aantal oorspronkelijke verweren van [appellant] moeten worden aangemerkt als grieven tegen het vonnis. Dat betoog faalt. De (beperkte) verweren die in de conclusie van antwoord zijn opgeworpen (en in de memorie van grieven herhaald), zijn alle door de rechtbank besproken en verworpen. In de memorie van grieven is geen enkel argument te vinden waarom het oordeel van de rechtbank niet juist zou zijn, laat staan dat op kenbare wijze uiteen is gezet tegen welke overwegingen wordt gegriefd en waartoe dat zou moeten leiden. Dat kan ook niet, omdat de tekst van de memorie van grieven gelijk is aan die van de conclusie van antwoord in eerste aanleg en dus is geschreven voordat het eindvonnis is gewezen. Het gaat dus per definitie niet in op de inhoud van het eindvonnis.
Op grond van de zogenoemde twee-conclusie-regel moeten de grieven in beginsel in de memorie van grieven worden opgenomen.
Ook de bij de memorie gevoegde producties boden geen uitkomst. Het hof benadrukte dat het niet aan de rechter is om zelf uit producties argumenten af te leiden. Een partij moet duidelijk aangeven op welke feiten en stukken zij zich beroept en waarom deze voor de beoordeling van belang zijn.
Het gevolg was verstrekkend: de aannemer werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en moest bovendien de proceskosten van de wederpartij betalen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4224
Publicatie blog: 17 september 2024
