Een uitbouw waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, kan toch onrechtmatige hinder voor de buren opleveren. Dat ondervonden twee woningeigenaren die een hoge uitbouw langs de tuin van hun buurvrouw hadden gerealiseerd. De Rechtbank Noord-Holland oordeelde dat de uitbouw zoveel licht en uitzicht wegnam dat deze moest worden verlaagd.
Hoge blinde muur langs de tuin
Tussen de achtererven van partijen stond sinds de jaren zeventig een stenen muur. Deze was bij de woning 3,23 meter hoog en liep geleidelijk af tot 2,40 meter aan het einde van de tuin.
De buren wilden hun bestaande aanbouw vervangen door een nieuwe uitbouw. De oude muur werd daarvoor met toestemming van de buurvrouw verwijderd.
De nieuwe situatie zag er echter heel anders uit. Langs de tuin kwam een blinde wand van ongeveer 3,54 meter hoog. Anders dan de oorspronkelijke muur liep deze niet af, maar bleef hij over de gehele lengte van de tuin even hoog.
Volgens de buurvrouw was daardoor sprake van een aanzienlijke vermindering van zonlicht en uitzicht. Zij stapte naar de rechter en beriep zich op onrechtmatige hinder.
Niet iedere hinder is onrechtmatig
Op grond van artikel 5:37 BW mag een eigenaar zijn buren geen onrechtmatige hinder toebrengen. Maar niet iedere vermindering van zonlicht is onrechtmatig.
Volgens de kantonrechter moet onder meer worden gekeken naar de aard, ernst en duur van de hinder, de daardoor veroorzaakte schade en de plaatselijke omstandigheden. Een vaste norm voor de hoeveelheid zonlicht waarop iemand recht heeft, bestaat niet. Evenmin bestaat een onbeperkt recht op zonlicht.
In dit geval vond de rechter de grens echter overschreden.
‘Kokereffect’ in kleine achtertuin
De ruim drieënhalve meter hoge wand nam vrijwel het gehele uitzicht aan één kant van de tuin weg. Door de beperkte omvang van de betegelde achtertuin en de overige ommuring ontstond volgens de rechter een kokereffect.
Daarbij woog zwaar dat de nieuwe situatie duidelijk nadeliger was dan de oude. De oorspronkelijke muur liep immers af. Aan het einde van de tuin was de nieuwe wand daardoor ruim een meter hoger dan voorheen.
De rechter stelde bovendien vast dat nog maar een klein gedeelte van de tuin gedurende een korte periode van het jaar zonlicht ontving. Er was daarom sprake van een substantiële en voortdurende vermindering van de lichtinval.
Dat de woningen in een historische binnenstad stonden en dicht op elkaar waren gebouwd, veranderde dat oordeel niet. In zo’n omgeving moet weliswaar enige vermindering van licht en uitzicht worden geaccepteerd, maar niet iedere vorm van hinder hoeft te worden geduld.
Vergunning biedt geen vrijbrief
Voor de uitbouw was een vergunning verleend. Ook voor een geconstateerde hoogteoverschrijding van 13 centimeter was later een vergunning afgegeven.
Toch kon de civiele rechter oordelen dat de uitbouw tegenover de buurvrouw onrechtmatige hinder opleverde. Een omgevingsvergunning betekent niet automatisch dat een bouwwerk ook burenrechtelijk zonder problemen is.
Ook het feit dat de buurvrouw eerder toestemming had gegeven voor het verwijderen van de oude muur hielp de buren niet. Zij was daarbij niet geïnformeerd over de precieze omvang van de nieuwe uitbouw.
Uitbouw moet worden verlaagd
De uitbouw hoefde niet volledig te worden afgebroken. Wel moesten de buren de zijwand binnen zes maanden terugbrengen naar de contouren van de oude muur: 3,23 meter bij de woning, aflopend tot 2,40 meter achter in de tuin.
Daarbij legde de rechter een dwangsom op van € 100 per dag, met een maximum van € 10.000.
De uitspraak laat zien dat bij een verbouwing niet alleen de omgevingsvergunning van belang is. Ook een volledig of grotendeels vergund bouwwerk kan wegens de gevolgen voor lichtinval en uitzicht onrechtmatige hinder voor de buren opleveren.
Rechtbank Noord-Holland 11 december 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:14328.
Publicatie blog: 23 september 2026
