Wanneer is geluidsoverlast van de buren onrechtmatig? Die vraag speelde in een zaak waarin een bewoner zijn badkamer had verplaatst naar een ruimte die direct grensde aan de slaapkamer van de buren. Sindsdien ervoeren de buren aanzienlijke geluidsoverlast. Toch wees de Rechtbank Amsterdam hun vorderingen af.
Verplaatste badkamer veroorzaakt hinder
De woningen van partijen dateren uit 1959. De gedaagde had vóór het betrekken van zijn woning de badkamer verplaatst van de voorzijde naar de achterzijde van de eerste verdieping. Daardoor kwam de badkamer naast de slaapkamer van de buren te liggen.
De buren klaagden over tikken en bonken, slaande deuren en watergeruis in de leidingen. In het kader van buurtbemiddeling was afgesproken dat de badkamer na 22.00 uur niet meer zou worden gebruikt.
De buren lieten vervolgens gedurende veertien dagen akoestisch onderzoek uitvoeren. Daaruit bleek dat verschillende geluiden daadwerkelijk meetbaar waren en dat bepaalde gehanteerde grenswaarden enkele malen werden overschreden. Zo werden bij het gebruik van een trekker overschrijdingen tot 8 dB gemeten en bij andere bonkende geluiden tot 11 dB.
Niet iedere hinder is onrechtmatig
De rechtbank erkent dat de buren daadwerkelijk hinder ervaren en dat die hinder grote invloed heeft op hun welzijn. Dat betekent echter nog niet dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW.
Bij de beoordeling moet worden gekeken naar de aard, ernst en duur van de hinder, de veroorzaakte schade en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt als uitgangspunt dat buren een zekere mate van hinder van elkaar moeten verdragen.
De ernst van de hinder moet bovendien zoveel mogelijk objectief worden vastgesteld. Dat iemand geluid subjectief als zeer ernstig ervaart, is op zichzelf onvoldoende.
Overschrijding van geluidswaarden niet beslissend
Volgens de rechtbank betekent het enkele feit dat bepaalde geluidswaarden worden overschreden niet automatisch dat sprake is van onrechtmatige hinder.
De tikken en bonken ontstonden door het normale gebruik en de schoonmaak van de badkamer. Het ging daarom om leefgeluiden. Zulke geluiden moeten buren in grotere mate van elkaar accepteren dan bijvoorbeeld structureel industrieel lawaai of harde muziek.
Ook woog mee dat de geluiden meestal van korte duur waren, niet dagelijks voorkwamen en vooral in de avonduren werden veroorzaakt, een tijdstip waarop normaal gebruik van een badkamer mag worden verwacht.
Verder zijn de woningen uit 1959 en daardoor relatief gehorig. Ook dat is volgens de rechtbank een relevante omstandigheid.
Alles afwegend waren de aard, ernst en duur van de hinder onvoldoende om deze als onrechtmatig aan te merken.
Bouwkundige maatregelen te verstrekkend
De buren wilden onder meer dat een geluidsisolerende voorzetwand werd geplaatst of dat de douchecabine volledig van de scheidingsmuur werd losgemaakt.
De rechtbank vond onvoldoende aangetoond dat dergelijke maatregelen daadwerkelijk effectief zouden zijn. Bovendien waren zij volgens de gedaagde zeer ingrijpend en kostbaar.
Deze maatregelen stonden daarom niet in verhouding tot de omvang van de hinder.
Watergeruis bleef binnen de wettelijke norm
Voor het geluid van waterleidingen bestaan wel wettelijke eisen. Omdat de verbouwing vóór de invoering van het Besluit bouwwerken leefomgeving had plaatsgevonden, paste de rechtbank het Bouwbesluit 2012 toe.
Bij deze verbouwing gold volgens de rechtbank een maximaal installatie-geluidsniveau van 40 dB in de aangrenzende woning. De hoogste gemeten waarde bedroeg 37 dB. De wettelijke norm werd dus niet overschreden.
Ook was onvoldoende bewezen dat het leidingwerk technisch onjuist was aangelegd.
Conclusie
De uitspraak laat zien dat aantoonbare geluidsoverlast nog niet automatisch onrechtmatige hinder oplevert.
De rechter kijkt naar het totaalbeeld: hoe vaak treedt het geluid op, hoe lang duurt het, op welke tijdstippen gebeurt het, om welk soort geluid gaat het en wat mag in de betreffende woningen redelijkerwijs van buren worden verwacht?
Voor normale leefgeluiden ligt de grens relatief hoog. Zelfs wanneer meetwaarden incidenteel worden overschreden, kan de hinder toch rechtmatig zijn.
De belangrijkste les is daarom dat wie een buur wegens geluidsoverlast wil aanspreken niet alleen moet aantonen dát geluid wordt veroorzaakt, maar vooral dat de hinder naar objectieve maatstaven voldoende ernstig, structureel en disproportioneel is. In deze zaak was daarvan onvoldoende sprake, zodat alle vorderingen werden afgewezen.
Rechtbank Amsterdam 10 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5557
Publicatie blog: 22 augustus 2026
