In een kort geding bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 januari 2026 stond een burengeschil centraal over een houten scherm dat pal tegen de tuindeuren van een woning was geplaatst. De vraag was of de buurman daarmee zijn eigendomsrecht uitoefende, of dat hij te ver ging en onrechtmatige hinder veroorzaakte.
De situatie
De eiser had in mei 2024 een woning gekocht. Aan de achterzijde zaten openslaande deuren met glas. Die deuren lagen binnen twee meter van de erfgrens en keken uit op de tuin van de buurman. De buurman had daarom een houten scherm tegen de deuren geplaatst, waardoor de ramen volledig werden afgeschermd.
De eiser verwijderde het scherm, maar de buurman plaatste opnieuw een vergelijkbaar scherm. Volgens de buurman waren de deuren in strijd met artikel 5:50 BW, omdat zij uitzicht gaven op zijn erf. Ook beriep hij zich op zijn privacy en zijn recht om zijn erf af te sluiten.
Spoedeisend belang ondanks bestaande situatie
De buurman stelde dat er geen spoedeisend belang was, omdat het scherm al ongeveer achttien maanden aanwezig was. De kantonrechter gaat daar niet in mee. Bij gestelde onrechtmatige hinder kan spoedeisend belang uit de aard van de vordering voortvloeien.
Daarbij speelde mee dat partijen al langere tijd probeerden het geschil op te lossen, maar dat dit niet was gelukt. Een voorlopige beslissing kon juist verdere escalatie voorkomen.
Privacy versus licht en woongenot
De kantonrechter erkent dat de deuren binnen twee meter van de erfgrens liggen en dus in beginsel onder artikel 5:50 BW vallen. Maar eiser had de ramen ondoorzichtig gemaakt met folie. Daarmee werd het privacybelang van de buurman belangrijk beperkt.
Daartegenover stond een zwaar belang van eiser. Het houten scherm nam veel licht weg, maakte het uitzicht onaantrekkelijk en deed wezenlijk afbreuk aan het woongenot. De woning had bovendien weinig andere ramen. De dakramen waren volgens de kantonrechter geen volwaardig alternatief voor daglicht via de achterzijde.
Ook telde mee dat het scherm onderhoud aan ramen, kozijnen en schilderwerk onmogelijk maakte.
Dat het scherm er al stond bij aankoop helpt niet
Een belangrijk verweer was dat eiser de woning had gekocht terwijl het scherm er al stond. Volgens de kantonrechter betekent dat niet dat eiser de hinder moet blijven dulden. Het burenrecht blijft van toepassing. Als sprake is van onrechtmatige hinder door een buur, kan verwijdering worden gevorderd.
Uitkomst
De kantonrechter oordeelt voorlopig dat het houten scherm onrechtmatige hinder oplevert. De buurman moet het scherm binnen 48 uur na betekening van het vonnis verwijderen en verwijderd houden. Doet hij dat niet, dan verbeurt hij een dwangsom van € 1.500 per dag, met een maximum van € 25.000.
De bredere vordering om ieder bouwwerk of voorwerp binnen twee meter van de achtergevel te verbieden, wordt afgewezen. Daarvoor is nader feitelijk onderzoek nodig, bijvoorbeeld via plaatsopneming of deskundigenadvies. Wel geeft de kantonrechter duidelijk mee dat opnieuw een scherm op enkele centimeters afstand waarschijnlijk opnieuw onrechtmatige hinder zal opleveren.
Les voor de praktijk
Deze uitspraak laat zien dat privacybescherming tussen buren niet onbeperkt is. Een buur mag zich verzetten tegen ongeoorloofd uitzicht, maar mag niet zonder meer een woning vrijwel dichttimmeren.
De kern: wie hinder wil voorkomen, moet kiezen voor een proportionele oplossing. Ondoorzichtige folie of vastgezette ramen kunnen privacy waarborgen. Een houten scherm pal tegen deuren dat licht, zicht en onderhoud blokkeert, gaat te ver.
Rechtbank Zeeland- West- Brabant, 13 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:301
Publicatie blog: 1 mei 2026
