Kan het roken van een buurman in zijn eigen tuin onrechtmatige hinder opleveren? Het Gerechtshof Amsterdam moest hierover oordelen nadat buren een rookverbod hadden gevorderd. Het hof wees het verbod af. De gestelde rookoverlast was onvoldoende ernstig en bovendien ontbrak het spoedeisend belang.
Jarenlange klachten over rookoverlast
De buren klaagden sinds 2017 over tabaksrook en het gebruik van elektronische sigaretten in de naastgelegen tuin. Vanaf 2018 hielden zij rookmomenten bij in een logboek en vanaf januari 2023 verrichtten zij dagelijks fijnstofmetingen. In 2023 en 2024 werd de buurman via een advocaat gesommeerd de overlast te beëindigen.
Pas in augustus 2025 startten zij een kort geding. Aanvankelijk werd een zeer ruim rookverbod gevorderd. In hoger beroep beperkten zij dit tot een verbod om tabak of elektronische sigaretten te roken binnen 8,5 meter van hun gevel.
Niet iedere hinder is onrechtmatig
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 5:37 in samenhang met artikel 6:162 BW niet iedere vorm van hinder tussen buren onrechtmatig is. Of daarvan sprake is, hangt onder meer af van de aard, ernst en duur van de hinder, de daardoor veroorzaakte schade en de overige omstandigheden van het geval.
Daarbij geldt dat buren enige hinder van elkaar moeten dulden. Beslissend is niet uitsluitend hoe iemand de hinder persoonlijk ervaart. De hinder moet zoveel mogelijk aan de hand van objectieve gegevens worden vastgesteld.
Drie dagen per maand is onvoldoende
Juist de door de eisers zelf verzamelde gegevens werkten in hun nadeel. Uit hun logboeken en metingen bleek dat zij gedurende zestien maanden op 48 dagen een rookmoment hadden waargenomen. Dat komt neer op gemiddeld ongeveer drie dagen per maand.
Volgens het hof is dat dermate weinig dat de hinder, zelfs als ervan wordt uitgegaan dat de buren daadwerkelijk last van de rook ondervonden, naar objectieve maatstaven wat betreft aard, ernst en duur zeer beperkt was.
Daarmee was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van onrechtmatige hinder.
Fijnstofmetingen leveren onvoldoende bewijs
Ook de fijnstofmetingen konden de eisers niet helpen. De gebruikte meter kon geen onderscheid maken tussen fijnstof afkomstig van sigarettenrook en fijnstof uit andere bronnen.
Bovendien werd soms fijnstof gemeten op momenten waarop de buren niet rookten. Omgekeerd gaf de meter soms langdurig een waarde van nul aan, terwijl in de buitenlucht altijd enige hoeveelheid fijnstof aanwezig is.
Volgens het hof vormde dit een sterke aanwijzing dat de metingen onvoldoende nauwkeurig en betrouwbaar waren om daarmee de rookmomenten vast te stellen.
Ook het gestelde verband tussen de rook en gezondheidsklachten was onvoldoende aangetoond. De medische informatie was daarvoor te algemeen en uit de stukken bleek niet dat de klachten daadwerkelijk door het rookgedrag van de buren waren veroorzaakt of verergerd.
Geen spoedeisend belang
Voor een kort geding moet bovendien sprake zijn van voldoende spoedeisend belang. Ook daaraan was niet voldaan.
De eisers klaagden immers al sinds 2017, hielden sinds 2018 een logboek bij en verrichtten vanaf 2023 metingen. Toch wachtten zij tot augustus 2025 voordat zij een kort geding begonnen.
Alle omstandigheden waarop zij hun vordering baseerden, bestonden dus al jarenlang. Dat zij in de tussentijd een dossier hadden opgebouwd en hadden geprobeerd een minnelijke oplossing te bereiken, was volgens het hof onvoldoende om alsnog spoedeisendheid aan te nemen.
Daarbij weegt mee dat een verbod om in de eigen tuin te roken diep ingrijpt in de privésfeer en persoonlijke vrijheid. Voor het treffen van zo’n voorlopige voorziening is daarom terughoudendheid geboden.
Geen misbruik van procesrecht
Op één punt kregen de eisers wel gelijk. De voorzieningenrechter had geoordeeld dat zij door het starten van de procedure misbruik van procesrecht hadden gemaakt en had daarom een verhoogde proceskostenveroordeling uitgesproken.
Het hof vernietigt dat oordeel. Voor misbruik van procesrecht geldt een hoge drempel. Het enkele feit dat een vordering onvoldoende onderbouwd is of wordt afgewezen, betekent nog niet dat het starten van de procedure misbruik van procesrecht vormt.
De proceskosten in eerste aanleg werden daarom verlaagd van € 3.831 naar € 1.616. In hoger beroep moesten de eisers wel opnieuw de proceskosten betalen.
Conclusie
Deze uitspraak laat zien dat voor het aannemen van onrechtmatige rookhinder tussen buren een behoorlijke drempel geldt. Het enkele feit dat rook vanuit de tuin van de buren wordt waargenomen, is niet voldoende. De hinder moet naar objectieve maatstaven voldoende ernstig, frequent en langdurig zijn.
Wie een rookverbod wil afdwingen, zal bovendien met betrouwbare gegevens moeten aantonen hoe vaak de overlast voorkomt en dat deze daadwerkelijk door de betreffende buur wordt veroorzaakt. Bij gestelde gezondheidsschade moet ook het causale verband voldoende concreet worden onderbouwd.
Ten slotte is de uitspraak een waarschuwing voor de keuze voor een kort geding: wie jarenlang wacht met procederen, kan moeilijk volhouden dat een onmiddellijke voorlopige voorziening noodzakelijk is.
Gerechtshof Amsterdam 16 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1655
Publicatie blog: 22 augustus 2026
