Eisers hebben aan koopster, een vennootschap, twee appartementsrechten verkocht. Partijen hebben de modelovereenkomst van de NVM gebruikt waarin onder meer ook de standaard boeteclausule staat opgenomen van 10% van de koopsom bij ontbinding van de koopovereenkomst als gevolg van een toerekenbare tekortkoming van de koper. De koopovereenkomst is door verkopers ontbonden en zij roepen het boetebeding in. Koper beroept zich op matiging van de boete. De rechtbank stelt voorop dat de rechter een overeengekomen boete kan matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist (art. 6:94 lid 1 BW), waarbij terughoudendheid op zijn plaats is. Een boete mag pas worden gematigd als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Het onderhavige boetebeding maakt deel uit van de modelkoopovereenkomst van de NVM die partijen hebben gehanteerd. Van deze overeenkomst wordt veelvuldig gebruik gemaakt, zodat het boetebeding mede de rechtszekerheid dient. Tegen deze achtergrond komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de stelling van koopster (een professionele partij) dat partijen niet hebben onderhandeld over het beding en hier niet afzonderlijk bij hebben stilgestaan. Feit is dat het beding onderdeel is van de overeenkomst en is gericht op schadefixatie en het prikkelen van partijen tot nakoming van hun verplichtingen. Koopster moet de 10% boete betalen.
Rechtbank Gelderland 19-03-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:2044
Publicatie blog: 8 juli 2025
