Een aannemer leverde en plaatste op maat gemaakte kozijnen bij een consument. Er ontstond een geschil.
In een tussenvonnis overwoog de rechtbank aanvankelijk dat mogelijk sprake was van een gemengde overeenkomst:
aanneming van werk én
consumentenkoop
Omdat zaken betreffende consumentenkoop op grond van artikel 93 sub c Rv tot de competentie van de kantonrechter behoren, lag verwijzing door de rechtbank naar de kantonrechter voor de hand.
Maar na nadere aktewisseling kwam de rechtbank tot een ander inzicht.
Het juridisch kader
De discussie draait om:
Artikel 7:5 lid 4 BW (consumentenkoop bij nog te vervaardigen zaken)
Richtlijn 99/44/EG, artikel 1 lid 4
Artikel 3:4 BW (natrekking)
De regeling van consumentenkoop is gebaseerd op de volledig geharmoniseerde Europese richtlijn. Die richtlijn ziet op:
“te vervaardigen of voort te brengen consumptiegoederen”
Dat begrip is doorslaggevend.
Waarom géén consumentenkoop?
De rechtbank maakt een belangrijk onderscheid.
De kozijnen:
zijn vervaardigd om blijvend onderdeel te worden van de woning;
worden door natrekking bestanddeel van de onroerende zaak;
zijn niet vergelijkbaar met “consumptiegoederen” zoals een maatpak of kunstgebit (klassieke voorbeelden uit de parlementaire geschiedenis).
De kernoverweging:
Het enkele feit dat een zaak op maat wordt gemaakt, maakt haar nog geen consumptiegoed in de zin van de richtlijn.
Zou men anders oordelen, dan zou:
vrijwel elke aannemingsovereenkomst met levering van materialen
automatisch ook als consumentenkoop kwalificeren
Dat zou het onderscheid tussen koop en aanneming in feite uithollen.
Belang voor de procespraktij
De rechtbank oordeelt nu:
✔ Geen consumentenkoop
✔ Geen exclusieve kantonbevoegdheid
✔ De zaak blijft bij de civiele kamer van de rechtbank
Dat is procesrechtelijk onder meer van belang voor de verplichte procesvertegenwoordiging (advocaat bij de civiele kamer van de rechtbank),
Rechtbank Gelderland, 8 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8539
Publicatie blog; 11 februari 2026
