Deze zaak speelde rond twee erfpachtrechten waarop een woning stond:
De erfpachtakte stamde uit de jaren ’90 en bepaalde dat het perceel bestemd was voor een tuinderswoning.
Het bestemmingsplan was later publiekrechtelijk gewijzigd naar wonen.
In de verkoopbrochure en koopovereenkomst stond dat het ging om:
een woonhuis
op eeuwigdurende erfpacht
met eeuwigdurend afgekochte canon.
Na het sluiten van de koop stelde de financierende bank vragen over de “tuinderswoning”-bepaling in de erfpachtakte. Vervolgens bleek dat de gemeente: het gebruik als particuliere woning zag als een waardevermeerdering en daarvoor een aanvullende canon verlangde van € 75.000,–
De koper ontbond daarop de overeenkomst en vorderde de contractuele boete van 10% van de koopsom.
Oordeel van de rechtbank;
De rechtbank achtte de contractuele verwachtingen van doorslaggevende aard. De rechtbank stelt voorop dat beslissend is wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Volgens de overeenkomst moest worden geleverd:
een woonhuis;
op erfpachtgrond;
met volledig afgekochte canon.
Dat bleek niet mogelijk.
De rechtbank verwerpt het verweer dat koper dit had moeten begrijpen uit de erfpachtakte: Uit de akte bleek niet duidelijk dat canon slechts voor agrarisch gebruik gold.
Koper mocht vertrouwen op de verkoopinformatie.
De rechtbank oordeelt dat verkopers tekortgeschoten zijn en dat koper rechtsgeldig heeft ontbonden en voorts dat de contractuele boete € 82.500 (10% van de koopprijs) volledig verschuldigd is.
Rechtbank Den Haag, 16 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24350
Publicatie blog: 13 februari 2026
