Ontstaan en tenietgaan van erfdienstbaarheden

 

Een erfdienstbaarheid is een last waarmee een onroerende zaak – het dienende erf – ten behoeve van een andere onroerende zaak – het heersende erf – is bezwaard. Een erfdienstbaarheid is

 

  • een last waarmede een erf (stuk grond) bezwaard is
  • ten bate van een ander erf (lust).

 

Het is niet vereist dat de erven aan elkaar grenzen (deze eis gold wel onder het oude recht).

 

De last bestaat uit het ‘toelaten’ of ‘niet doen’ maar kan ook bestaan in een onderhoudsplicht of een bouwverplichting. Voorbeelden: het garanderen van een vrij uitzicht of  het toelaten dat de buurman een deel van de oprit gebruikt (recht van overweg) of het toelaten dat de buurman te voet over je erf gaat (recht van overpad).

.

De vestiging (het ontstaan) van een erfdienstbaarheid vindt plaats door het opmaken van een notariële akte en de inschrijving daarvan in de registers van het Kadaster. In de notariële akte kan worden bepaald dat de eigenaar van het heersende erf, degene die profijt heeft van de erfdienstbaarheid,  een vergoeding (retributie) betaalt aan de eigenaar van het dienende erf.

 

Voorts kan een erfdienstbaarheid ontstaan door zogenaamde verkrijgende verjaring. Deze ontstaat na tien jaar onafgebroken bezit te goeder trouw. Let op: goede trouw wordt niet snel aangenomen omdat hieraan strenge eisen verbonden zijn. Wanneer iemand een succesvol beroep op verjaring te goeder trouw wil doen, mag niet helder uit de openbare registers blijken dat hij geen eigenaar was. In dat geval is er geen sprake van goede trouw maar resteert de mogelijkheid een beroep te doen op bevrijdende verjaring (niet te goeder trouw)

 

Het is mogelijk om een erfdienstbaarheid te wijzigen of op te heffen. Hiervoor gelden strenge eisen, te weten:

  • onvoorziene omstandigheden waardoor de erfdienstbaarheid in redelijkheid niet in stand kan blijven;
  • indien de erfdienstbaarheid langer dan 20 jaar bestaat en het voortbestaan van de erfdienstbaarheid in strijd is met het algemeen belang;

–           indien de uitoefening van de erfdienstbaarheid onmogelijk is geworden en waarschijnlijk onmogelijk zal blijven;

–           als er geen redelijk belang (meer) is bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid.

 

Publicatie: 08-02-2016